| |
"Liesbet
Winkelmolen leert Oezbeken Nederlands", zo
kopten het Nieuwsblad van het Noorden, het
Noordhollands Dagblad, het Leids Dagblad en menig
andere regionale krant in de zomer van 1996.
Liesbet kreeg de reacties uit Oost Groningen, Den
Helder en Yerseke, en werd in Leiden herkend op
straat. Liesbet stond voor een belangrijke taak,
die er niet eenvoudiger op leek te worden
naarmate haar vertrek dichterbij kwam. Op de
Universiteit van Wereldtalen te Tasjkent, een
tolk- en vertalersschool die in Nederland nog
geen HBO-status zou verdienen, zitten de eerste
groepen Nederlands in het laatste jaar. Aan het
eind ervan zouden ze het moeten kunnen. Maar kort
voor Liesbets vertrek kwamen de resultaten van de
Leuvense Toets Elementair Nederlands binnen, die
aan het eind van het vorige jaar is afgenomen. De
bewuste toets test een absoluut beginnersniveau.
Niemand was geslaagd. Het gebrekkige niveau is
waarschijnlijk al enige tijd geleden ook de
schoolleiding opgevallen. Na de vier eerste
groepen vierdejaars is er twee jaar later nog
slechts één andere groep bij gekomen. In totaal
zijn er nu 40 studenten Nederlands.
Alle studenten aan de Universiteit van
Wereldtalen studeren twee talen. De eerste taal
kiezen ze zelf, de tweede kiest de school voor
hun. Niemand heeft Nederlands als eerste taal
gekozen; bij de meeste studenten Nederlands is
dit Engels of Duits. Een Nederlandse theoloog die
reeds op de universiteit Engels doceerde
(iedereen die ten westen van Polen woont, is hier
English native speaker), is destijds gevraagd de
studie Nederlands op te zetten en zo het aantal
gedoceerde wereldtalen verder uit te breiden.
Liesbet is reeds gevraagd Zuid Afrikaans te gaan
doceren, nadat haar eerst gevraagd was of die
taal inderdaad op het Nederlands lijkt. Liesbet
heeft geweigerd, tot grote spijt van de
directeur.
Ieder semester komt in Tasjkent een nieuwe
ploeg van vier docenten aan, om hier les te gaan
geven voor een lokaal salaris: 2500 sum per
maand, omgerekend 60 gulden. De kosten van de
vlucht, het visum en de inentingen, omgerekend 30
maandsalarissen, worden niet vergoed. Het
lesgeven schept vooral de mogelijkheid om een
tijd in Oezbekistan te kunnen verblijven. Tot nu
toe waren het studenten Russisch, islamologie en
culturele antropologie die hier voor hun stage
kwamen. Zonder docentschap zouden ze nooit zo
lang in Oezbekistan kunnen wonen. En zonder
Nederlandse beurs zou het financieel niet
haalbaar zijn. De theoloog had missionaire
redenen, maar kon op den duur zijn financiën
niet meer rond krijgen. Hij regelt nu de docenten
vanuit Nederland.
Liesbet is hier de eerste docent met ervaring in
het geven van Nederlands (zij geeft al zes jaar
les bij de vakgroep Nederlandkunde aan de
Universiteit van Leiden, een studie waar
buitenlanders Nederlands kunnen studeren). Zij
heeft het aantal lesmethoden teruggebracht tot
één. Tot nu toe had iedere docent Nederlands in
Tasjkent zijn eigen lesmethode: de studenten
leerden de grammatica op vier verschillende
manieren tegelijkertijd, en vergrootten op
eenzelfde manier hun woordenschat. Drie jaar les
krijgen van onervaren docenten, die elk half jaar
wisselen en vooral voor het land komen, met vier
verschillende methoden tegelijk, en dat in een
taal die je niet gekozen hebt, voorwaar niet de
eenvoudigste tijdsbesteding.
Verder ontbreekt voor de studenten elk
motiverend element. Even leken Nederlandse
bedrijven in Oezbekistan geïnteresseerd te
raken. President Karimov is begin jaren negentig
naar Nederland gekomen en heeft Lubbers de hand
geschud. Verder dan een tot niets verplichtend
intentieverdrag is het echter nooit gekomen.
Sindsdien is het aantal barrières dat hier wordt
opgeworpen tegen welke transactie of verplaatsing
dan ook, zo toegenomen dat menig buitenlands
bedrijf elders een goed heenkomen heeft gezocht.
Ook toeristen worden liever geweerd dan
binnengehaald. Men lijkt hier alleen in groepen
geïnteresseerd: daar valt op georganiseerde
manier flink aan te verdienen. Per saldo heeft
het Nederlands een Oezbeek niets te bieden.
Het is nu twee maanden later. Liesbet is op de
helft. Zij geeft, nu het af en toe vriest in
Tasjkent, les in ijskoude lokalen. Krijt
ontbreekt, de kopieerapparaten zitten achter slot
en grendel, de man die alles voor de docenten
moet regelen is er bijna nooit en de roosters
worden op de eerste lesdag bekend gemaakt. Op de
wc's moet Liesbet al kokhalzen voordat ze haar
behoefte kan doen.
Vanaf het begin heeft zij één groep
studenten gehad die in hun vijfde en laatste jaar
zitten. De andere groep die haar is toegewezen,
een groep derdejaars, liep tot half oktober stage
in Duitse bedrijven. Van de groep vijfdejaars,
die uit elf studenten bestaat, heeft ze er tot nu
toe vier gezien. De gemiddelde opkomst ligt
tussen de één en twee, waarbij een tweede zich
vaak pas na een half uur aandient. Soms is er
niemand. De groep is gemengd, maar bestaat in de
praktijk alleen uit vrouwen van rond de twintig
die nog niet getrouwd zijn. Of liever: die op hun
huwelijk zitten te wachten. Ze spreken bijna geen
woord Nederlands en kunnen bijvoorbeeld geen
woordenboek hanteren (dan moet je bijvoorbeeld
weten dat in 'ik ben' het laatste woord van het
werkwoord 'zijn' komt, en dat je voor 'hoge' bij
'hoog' moet kijken). Voor veel vrouwen is de 1000
sum studiebeurs vooral een aanvullend inkomen
voor de familie. Leren doen deze vrouwen niet,
wél zitten ze voortdurend in een spiegeltje te
kijken of de lippenstift nog steeds exact de
bocht van de bovenlip volgt en of alle
oogwimperhaartjes wel los van elkaar zitten.
Vraagt Liesbet of alles er nog goed uitziet, dan
leggen ze de spiegel ietwat bedremmeld op tafel,
om niet veel later hun gezicht met hernieuwde
aandacht naar het tafelblad te draaien. Verder
vergelijken ze de lengte van elkaars nagels,
kijken ze schaapachtig als hun wat gevraagd wordt
en schrijven ze nooit wat op. Een enkele keer
slaapt iemand wat bij.
De Oezbeekse samenleving zit anders in elkaar
dan de onze. Diploma's en banen worden vaak
gekocht of geregeld. Waarschijnlijk is ook een
studie aan de universiteit een stuk gemakkelijker
als je vooraf dollars op tafel legt of als een
invloedrijke persoon je met je carrière helpt.
Het studentschap levert je vijf keer twaalf
maanden een beurs op en na afloop een diploma,
wat de moeite waard is. Aan mensen zonder geld of
relaties worden waarschijnlijk hogere eisen
gesteld qua opkomst en studieprestaties.
Voor talen waar je echt wat aan kunt hebben,
loont het zich om je in te spannen. Er zijn
voldoende studenten die goed Frans, Duits of
Engels spreken. Maar Nederlands... De studenten
hebben zo'n veertig tot vijftig uur college, en
dan vormen de Nederlandse lessen prettige
uitrust-uurtjes.
Bij een studie waarvan je je bij aanvang reeds
van een diploma hebt verzekerd, passen geen
onvoldoendes. Maar ook los daarvan is het hier
niet gebruikelijk dat je blijft zitten. Vrouwen
die een baby krijgen, schuiven na enkele maanden
weer aan alsof ze nooit zijn weggeweest. Reeds in
de eerste weken verordonneerde de decaan, die
hier per decreet regeert, dat er een hertentamen
moest komen voor iedereen die aan het eind van
het derde jaar de toets niet had gehaald (zodat
ze alsnog officieel tot het vierde jaar konden
worden toegelaten). Dat leek Liesbet moeilijk:
zij kende de meeste studenten niet, terwijl geen
docent hier ooit aan verslaggeving gedaan; zij
wist dus niet welk niveau zij moest toetsen. Dat
was háár probleem, volgens de decaan: zij was
de leraar en wist dus hoe je moet toetsen. De
toets moest volgende week worden afgenomen.
Liesbet wierp nog tegen dat de studenten zich er
dan niet op konden voorbereiden. Dat was geen
probleem: ze hadden de hele zomer de tijd gehad.
Een week later heeft Liesbet een toets afgenomen
die een zeer laag niveau toetste en die zo veel
mogelijk diagnostisch was ingericht, om een breed
beeld te kunnen krijgen van de vaardigheden. Die
bleken er eigenlijk nauwelijks te zijn. Om niet
iedere week verplicht een nieuwe toets te moeten
afnemen, heeft ze 70% een drie gegeven, wat een
kleine voldoende is (cijfers lopen hier van een
tot vijf), en de allerslechtsten een twee
(onvoldoende). Dat gaf grote problemen met de
decaan, want hoe kon ze hun beste studenten, die
altijd vijven halen, zulke lage cijfers geven?
Dat kon alleen de slechtste docenten overkomen.
Wekenlang heeft hij erover geklaagd, maar tot een
oplossing is het nog niet gekomen. Het aantal
studenten dat Liesbets lessen bezoekt, is
sindsdien niet toegenomen.
Inmiddels heeft de tweede groep de
stageperiode er op zitten. Deze groep bestaat uit
zes vrouwen van rond de twintig, allen getrouwd
en zwanger of met kinderen (of beide). Meer nog
dan voor de vrouwen uit de eerste groep geldt
voor hun dat ze wel wat beters te doen hebben dan
Nederlands leren, maar zij tonen toch een grotere
inzet. Sommigen kunnen in dit laatste studiejaar
een beetje Nederlands. Dat maakt het lesgeven
bepaald leuker. Planmatig lesgeven is ook bij
deze groep onmogelijk. De opkomst wisselt ook
hier te sterk. Laatst begon de les met één
student en eindigde die anderhalf uur later met
vijf en een baby. Je kunt daardoor niet les voor
les een boek doornemen en zo de kennis
geleidelijk aan uitbreiden. Bovendien zijn de
verhalen uit de lesboeken erg vreemd voor deze
vrouwen. Dat Willem Nijholt met zijn vijftig
jaren slechts samenwoont en geen kinderen heeft,
valt hier domweg niet te begrijpen. Als Liesbet
ze vraagt hun beste eigenschap op te schrijven,
variëren de antwoorden van 'ik ben een goede
vrouw voor mijn man' tot 'ik ben een goede moeder
voor mijn kinderen'. Dat is hier van belang.
Gisteren heeft Liesbet gewoon wat met ze gepraat
naar aanleiding van hun klachten die te maken
hadden met zwangerschap (overgeven) of zogen
(pijnlijke borsten). Daar weet Liesbet nu weer
alles van.
Lesgeven blijft hier toch vooral een vorm van
bezigheidstherapie waaraan noch de docenten, noch
de meeste studenten zich kunnen onttrekken
(behalve die paar studenten die het lukt om
permanent de lessen over te slaan). De studenten
zijn verpest door het lage niveau van het
onderwijs dat ze jarenlang hebben gekregen van
docenten die elkaar in hoog tempo afwisselden. De
docenten zijn waarschijnlijk stuk voor stuk
afgeknapt op het lage niveau, de lage motivatie
van de studenten, de wisselende opkomst en hun
eigen onvermogen om toch iets van de lessen te
maken.
Ook de relatie met de decaan is er een van
groeiende frustratie. Nederlanders houden over
het algemeen niet van bazen die slechts blaffen
en vermanen. Zeker niet als het om, in onze ogen,
vreemde directieven gaat. De opdracht om een
hertentamen te maken was er zo een. Je weet dat
je iedereen en jezelf onnodig in de problemen
brengt als je het niet doet en als je niet bijna
iedereen een voldoende geeft. Voor de
taalvaardigheid en de toekomst van de studenten
is het allemaal van geen enkel belang. Liesbets
enige alternatief is er niet meer aan mee doen en
dus haar baan opzeggen, maar dan kun je ook
gelijk het land uit, en daar was het ons allemaal
niet om te doen.
Van de vorige docenten hebben de meesten na
verloop van tijd de opdrachten nog slechts
welwillend aangehoord. Volgens de decaan hebben
verschillende docenten in het verleden toegezegd
een jaarplan op te stellen, maar hij heeft er
nooit een gezien. Hij is er erg kwaad over.
Liesbet heeft het wel gemaakt, omdat ze ook vindt
dat het er moet zijn. Het besloeg één A4-tje.
De decaan heeft het aangenomen en ongelezen
gezegd dat dit natuurlijk onvoldoende was. Er zou
bijvoorbeeld verschil gemaakt moeten worden
tussen de programma's voor de derde en de vijfde
jaars. Liesbet wees aan waar ze dat gedaan had.
Toen bond hij wat in, maar herstelde zich en zei
opnieuw ernstig verstoord: 'ik heb toch gezegd
dat je het bij het hoofd van de afdeling
Germanistiek moest brengen!'. Zulke gesprekken
vinden altijd plaats in zijn kamer, waarin nog
vijf anderen staan verdringen om hem te kunnen
spreken. Mogelijk is zijn koeionerende stijl voor
een deel historisch te verklaren: de voortdurende
wisselingen onder de docenten waardoor hij geen
vat op ze heeft kunnen krijgen, hun vrijblijvende
gedrag, de steeds niet uitgevoerde toezeggingen,
het lage lesniveau en de recente onvoldoendes.
Toen Arnout, een mede-docent, bij hem ging klagen
dat de portier van de dormitory van de
universiteit, waar wij allen officieel gehuisvest
zijn, niet open had gedaan toen hij na tienen
thuis was gekomen, barstte hij los: dat de
docenten niet zomaar een nacht weg konden zonder
dat aan hem te melden, dat iedereen altijd om
tien uur binnen moest zijn, dat er geen alcohol
op de kamer mocht worden gedronken en dat bezoek
verboden was. Misschien voelt hij zich
verantwoordelijk voor hun veiligheid. Na achten
zou de stad niet veilig zijn. Bovendien wordt hij
er misschien op aangesproken als de docenten iets
overkomt of als ze ongeoorloofd gedrag vertonen.
Maar met zijn tirades geeft hij de docenten het
gevoel dat het lijfeigenschap hier nog niet tot
het verleden behoort. Ze mogen niets, moeten alle
opdrachten klakkeloos uitvoeren en moeten
tevreden zijn met een salaris dat twee procent
van alle kosten dekt. De kloof tussen de twee
culturen zal in vier maanden niet te overbruggen
zijn.
De docenten vragen zich vertwijfeld af hoe je
onder zulke omstandigheden serieus te werk kunt
gaan. Misschien moeten ze voor een wat meer
Oezbeekse aanpak kiezen: laatst vroeg een groep
aan Arnout of hij geen Duits kon geven, omdat de
leraar Duits eerst 3000 soem per leerling wilde
voordat hij verder zou gaan met lesgeven.
Liesbet heeft inmiddels een paar keer bij de
decaan geklaagd over de slechte opkomst bij de
eerste groep. Iedere keer riep hij 'They will be
punished'. Tot drie weken voor het einde van
Liesbets lesperiode zal iedere vorm van
bestraffing of waarschuwing in die richting
uitblijven, maar dan is het opeens raak: de hele
groep vijfdejaars zal niet mogen afstuderen in
Nederlands en de lessen worden voor deze groep
gestopt. Het ontbreken van een tweede taal op het
diploma is een zware straf voor de studenten,
zeker voor degenen die nog wél af en toe zijn
verschenen. En Liesbet is achteraf dus drie
manden lang voor niets iedere maandag om zes uur
opgestaan. Van haar had de decaan wel wat eerder
in actie mogen komen, en iets minder rigoreus.
De laatste weken heeft ze dus alleen de groep
derdejaarsstudenten. Maar drie weken voordat de
lessen aflopen, is ze plotseling ook haar lokaal
kwijt. Als ze het wil binnengaan, zit er opeens
een plaatstalen deur voor, met een indrukwekkend
nieuw slot. Japan heeft hoogwaardige spulletjes
gestuurd voor de lessen Japans en die moeten goed
achter slot en grendel. De man met de sleutel is
onvindbaar. In het lokaal staan alle boeken die
voor de Nederlandse lessen nodig zijn; die moet
ze er maar een keer met kast en al uithalen, met
hulp van een paar studenten. Hier eindigen
Liesbets lessen: het kleine zijvertrekje waarnaar
de docenten Nederlands verbannen zijn, blijkt de
resterende drie weken onvindbaar te zijn voor
haar overgebleven studenten. Het zal hen wel goed
uitkomen, want rond de jaarwisseling zijn er
tentamens voor alle vakken behalve Nederlands,
dus zij hebben wel iets belangrijkers aan hun kop
dan het verschil tussen 'hebben' en 'zijn'.
|